De wereld voor God – Filosofie van de oudheid

De wereld voor God
Filosofie van de oudheid

door CJ Alders

‘De wereld vóór God’ biedt een levendig en compleet overzicht van de filosofie van de oudheid, de filosofen van vóór het christendom.
Geschikt voor de reeds wat gevorderde filosoof, maar ook zeker voor de ‘absolute beginner’. Voor lezers vanaf 15 jaar en ouder.

Lees:omschrijvingfragment 1fragment 2fragment 3over de auteur

Softcover €19,99 levertijd 3 werkdagen
Hardcover €37,99 levertijd 5 werkdagen
Ebook €  7,99 levertijd direct

Bestel de softcover
Bestel de hardcover
Bestel het e-book

Omschrijving:

In deze levendige en buitengewoon toegankelijke introductie in de filosofie ligt de nadruk op Griekse en Romeinse denkers. Bekende filosofen als Plato en Cicero passeren de revue, maar ook meer onbekende namen als Aristippos en Carneades komen uitgebreid aan bod.

Ondertussen maken we uitstapjes naar de Oosterse filosofie. We zien hoe denkers als Confucius, Boeddha en Zarathustra zich tot de Westerse filosofie verhouden. Ook worden de filosofische inzichten vergeleken met die van moderne filosofen en wetenschappers.

Daarbij worden vermakelijke parallellen getrokken met moderne wetenschap, literatuur en de hedendaagse maatschappij. Het blijkt dat de filosofen van de oudheid ons een verrassende spiegel kunnen voorhouden!

Fragment 1 (Inleiding):

Alweer een boek over filosofie?

Er zijn toch al zoveel boeken over filosofie?

Klopt … maar wie over de geschiedenis van de filosofie wil gaan lezen, komt er al snel achter dat de inleidende boeken over de filosofie vaak erg droog zijn, en voor een leek nogal lastig te verteren. Andere boeken zijn dan wel weer leuk om te lezen, maar blijven nogal aan de oppervlakte steken. Wat heel erg jammer is, want filosofen gaan nou juist zo graag de diepte in.

In veel inleidingen van de filosofie gebeurt helaas zelfs beide: ze hebben een gebrek aan grondigheid, en dáárdoor gaat de filosofie uiteindelijk niet ‘leven’: dubbel verlies.

Ik zal daarom mijn uiterste best voor je doen om me beknopt en in begrijpelijke taal te blijven uitdrukken. Met als doel de gedachten van verschillende filosofen niet alleen voor het voetlicht, maar ook echt tot leven te brengen. Best een uitdaging denk ik, aan jou straks het oordeel of het mij gelukt is.

Gelukkig heb ik hulp: aan de boeiende ingrediënten zal het in ieder geval niet liggen. In ons verhaal gaan we bekende namen tegenkomen als Plato en Socrates, maar ook veel minder bekende namen, zoals Aristippos en Carneades. Die laatsten zul je niet zo snel tegenkomen in andere overzichtswerkjes van de filosofie, maar mijns inziens zijn ze wél heel belangrijk voor het verhaal van de filosofie dat ik je wil vertellen.

En daarmee hoop ik dat dit boek niet alleen interessant is voor de lezer die zijn eerste schreden zet op het gebied van de filosofie, maar ook voor iemand die er al wat meer van weet.

Ondertussen gaat dit boek niet alléén over filosofie. Want filosofen denken namelijk niet over niets: ze denken over de wereld om zich heen. Filosofie gaat dus óók over mens en samenleving, over politiek en psychologie, over wetenschap, en religie. Wie filosofen bestudeert, bestudeert dus ook al die zaken. En omdat we het nu over andere tijden gaan hebben, zal je zien dat we al filosoferend gelijk onze historische kennis nog wat opvijzelen. In het beste geval leren we, doordat we even afstand nemen, daarmee ook juist veel bij over onze eigen tijd. Een mooi pakket! Al zeg ik het zelf …

De filosofie van de oudheid

Dit boek gaat niet over de filosofen van nu, maar over de filosofen van de oudheid. Het tijdperk voordat de christelijke filosofie dominant werd in het Westen: de wereld van vóór ‘God’.

Naar mijn idee zijn de filosofen uit de oudheid belangrijker voor onze tijd dan de meeste mensen denken, en zelfs belangrijker dan onze huidige ‘moderne’ filosofen. Zij legden immers de basis! Wie deze denkers niet begrijpt, begrijpt de filosofie als geheel niet.

Bovendien denk ik dat deze filosofie juist voor onze tijd, zeg toch maar de filosofie van na het christendom, interessant is. In ons denken zitten namelijk nog veel erfenissen van het christelijke denken, en het kan soms bijzonder verfrissend zijn om te zien hoe het ook anders kan.

Met de oudheid wordt hier trouwens bedoeld wat historici de klassieke oudheid noemen, de tijd vanaf ongeveer zeshonderd jaar voor onze jaartelling, tot en met de eerste vierhonderd jaar sinds het begin daarvan. Een periode van duizend jaar dus. Deze periode begint met het tot bloei komen van de Griekse steden en eindigt in de nadagen van de Romeinse tijd.

Dit boek zal dus vooral gaan over de westerse filosofie. Voor wie dit een teleurstelling is, heb ik echter goed nieuws: om die westerse filosofie echt te begrijpen hebben we ook begrip van het oosterse denken nodig, en zodoende lopen we nog heel wat oosterse denkers tegen het lijf: ze komen in ons verhaal telkens om de hoek kijken. En om het geheel wat meer body en perspectief te geven, heb ik naar het eind toe ook een apart hoofdstuk toegevoegd waarin we beter zullen gaan kijken naar de filosofie van China, India en Perzië. We gaan dus niet alleen Socrates en Seneca behandelen, maar ook Confucius, Boeddha en Zarathustra.

De Oudheid is een bijzondere tijd: in de duizend jaar die we gaan onderzoeken, zien we dat de wereld onder invloed van politiek en wetenschap ingrijpend verandert. Beschavingen ontstaan en worden overgenomen door andere beschavingen, en de mensheid ontwikkelt zich ondertussen in hoog tempo. We zien dat de wereld in deze tijd steeds verder door de mensen georganiseerd wordt. En het zal duidelijk worden dat de filosofie in dat proces een fundamentele rol speelt: in de politiek en de psychologie, in religie en wetenschap, en in het maatschappelijke leven.

Spoiler: wat gaan we tegenkomen?

Dit is geen whodunnit, en daarom is het alleen maar handig als we vooraf al ongeveer weten waar ons verhaal over zal gaan:

Allereerst richten we onze blik op de eerste Griekse denkers, die zich met name afvroegen hoe de wereld in elkaar zat.

Daarna verplaatsen we ons naar de bloeiperiode van de Griekse filosofie in Athene, waarin denkers zich vooral bezig gingen houden met mens en maatschappij.

Dan volgt als vanzelf de periode, waarin de Griekse cultuur uitwaaiert over het hele huidige Midden-Oosten en Zuid-Europa, en waarin de filosofen de nadruk gaan leggen op de vraag hoe we als mens gelukkig kunnen worden.

Vervolgens breekt de periode aan waarin Romeinse denkers het antwoord op die vorige vraag gevonden menen te hebben. Zij worstelen dan voornamelijk met de uitvoering.

Om het spannend te houden, maken we daarna een reis rond de wereld, en komen we in China en India terecht, om de filosofie van die streken te vergelijken met wat we tot dan toe in Europa gezien hadden.

En daarna keren we via Perzië weer terug, en zien we hoe nieuwe vormen van denken in het Romeinse rijk in opkomst zijn, waaronder die van het beginnende christendom. Een nieuwe tijd breekt aan.

Tijdens deze reis door de tijd zullen we zien dat de vragen die in de oudheid gesteld werden – over wetenschap, politiek, ethiek en religie – vandaag de dag onverminderd actueel zijn. En we zullen opmerken dat de denkers uit de oudheid op deze vragen antwoorden vonden die tot op de dag van vandaag toepasbaar zijn … waaronder ook antwoorden die we misschien helaas vergeten zijn.

Onderweg zullen we gelukkig af en toe ook hard kunnen lachen. Want filosofen zijn vaak eigenzinnige types. Je moet wel van ze houden.

Verder lezen?

Bestel de softcover

Bestel de hardcover

Bestel het e-book

Fragment 2 (Aristippos):

Aristippos’ genotzucht

De hedonisten, de filosofen van het genot, spreken tot de verbeelding. Plezier maken is nu eenmaal erg aantrekkelijk. De hedonisten vroegen zich af hoe we het best plezier kunnen maken. Wat geeft het meeste plezier? En hoe gebruiken we dit het meest verstandig?

Voor het ontstaan van het hedonisme moeten we een stap terug doen in de tijd, naar de tijd van Plato. Daar komen we een eigenzinnige leerling van Socrates tegen: Aristippos.

Wat betreft de interpretatie van Socrates is Aristippos het niet eens met zijn tijdgenoot Plato, en sluit hij eerder aan bij Antisthenes, de stamvader van de cynici die we eerder zagen. Beide meenden dat de belangrijkste les van Socrates is dat we uiteindelijk niets kunnen weten. We zagen in het hoofdstuk over de cynici dat Antisthenes daar een nogal destructieve filosofie op baseerde. Aristippos geeft er een andere zwaai aan. Volgens hem kunnen we namelijk wel één ding vertrouwen, en dat is onze onmiddellijke ervaring zelf. Onze onmiddellijke ervaring bestaat uit de gevoelens van pijn en genot. Gevoelens die we als kind al kennen en die niet te negeren zijn. Genot en pijn zijn volgens Aristippos dus de primaire gegevens. Andere ervaringen zijn daar uiteindelijk van afgeleid, en kunnen eventueel dwalingen zijn.

En dat geldt ook voor theorieën over hoe de wereld in elkaar zit. Daarin kunnen we ons vergissen. Maar in onze pijn en vreugde zelf, daarin vergissen wij ons niet.

Kortom, de onmiddellijke ervaring regeert. Volgens Aristippos is het daarom onzinnig om hogere doelen op lange termijn na te streven, of om je te schamen voor je verleden. Dat zijn toch alleen maar zaken die ons op een dwaalspoor brengen, weg van het instinctieve talent om het juiste voor onszelf te verlangen.

Om dezelfde redenen is het onverstandig om je over te geven aan zaken als hoop en spijt. Het genot van het ‘nu’ is volgens Aristippos het enige ware, en de enige maatstaf voor wijsheid en geluk. Dit hedonistische genot moeten we niet verwarren met het ‘leven in het nu’, zoals dat centraal staat in het boeddhisme en in mindfulnesstrainingen. Het leven in het nu van Aristippos richt zich puur op de fysieke tijdelijke behoefte.

Aristippos kiest dus radicaal voor het onmiddellijke genot. En zinnelijk genot is volgens Aristippos het meest waardevol, want dat is de meest directe vorm van genot. Elke andere ervaring is maar aangeleerd, en niets dan ballast.

Sociale wetten staan alleen maar in de weg

Aristippos kan daarmee gezien worden als de filosoof van de feestbeesten. Maar een losbol was hij toch niet. Hij werd door de meesten die hem kenden gezien als een zeer charismatisch persoon. De man werd geroemd om zijn vermogen zijn innerlijke kalmte te bewaren, en om zijn altijd aanwezige uitstraling van waardigheid.

Zijn opvatting van waardigheid was echter nogal eigenzinnig. Aristippos was wars van conventies. Hij meende dat de mens die genot zoekt de sociale conventies maar beter links kan laten liggen. Schaamte vond hij een kwalijke emotie. Zo verdedigde hij de stelling dat het niet verwerpelijk was een relatie aan te gaan met een hoer. Een haven wordt toch ook niet minder waard naarmate er meer schepen doorheen gevaren zijn? Waarom zou een vrouw dan minder waard worden als zij slaapt met meerdere mannen?

Aristippos behield juist zijn waardigheid door niet te hechten aan eergevoelens en zich niet te laten belemmeren door zaken als gekrenkte trots. Na zijn onderricht bij Socrates verbleef hij lange tijd aan het hof van Dionysios van Syracuse. We kwamen die dictator al tegen in het hoofstuk over Plato. Plato had geprobeerd hem te bekeren tot zijn filosofie, waarmee hij zichzelf uiteindelijk in levensgevaar bracht. Dionysios omringde zich graag met filosofen, maar stond er ook om bekend dat hij ervan hield zijn gasten zo nu en dan te vernederen, om hun zijn macht te laten proeven. Anders dan Plato liet Aristippos het treitergedrag van de dictator rustig over zich heen komen. Wie niet hecht aan eer is immers ook niet bang voor vernedering.

Dit had ook een zekere meegaandheid van zijn karakter tot gevolg. Waar de cynici graag shockeerden, paste Aristippos zich aan zonder zich daarover druk te maken. Aristippos meende dat hij op die manier zijn eigen genot het beste diende.

Toen Aristippos eens langs Diogenes liep toen die groente stond te wassen, beet Diogenes hem toe dat hij niet om voedsel zou hoeven slijmen aan de hoven van hooggeplaatsten als hij ooit geleerd had zelf zijn groenten te verbouwen. Aristippos diende hem onmiddellijk van repliek: als Diogenes had geleerd hoe met mensen om te gaan, dan zou hij nu geen groenten hoeven te staan wassen.

Aristippos deed geen aannames over de natuurlijke staat van zijn van de mens en de verdorvenheid van de samenleving, zoals de cynici deden. Voor hem telde zoals gezegd slechts het onmiddellijke genot. Toen iemand Aristippos vroeg wat voor baat hij had bij zijn filosofie, zei hij: als alle wetten werden opgeheven, zou alleen de filosoof doorleven zoals hij altijd geleefd had. Een filosoof heeft geen wetten nodig om te weten wat goed en slecht is.

Geld stinkt niet

Aristippos gebruikte zijn spitsvondigheden en wijsheden om geld te verdienen en genotvolle ervaringen op te doen. Dit werd hem door andere volgelingen van Socrates hoogst kwalijk genomen. Socrates zette zich immers af tegen de sofisten, met het verwijt dat ze zich lieten leiden door geld in plaats van wijsheid.

Maar Aristippos wees erop dat ook Socrates zich door rijkere vrienden liet onderhouden. Goed, was het antwoord: Socrates kreeg soms wat aangeboden, maar dat is iets anders dan aan de deuren staan rammelen. Waarom kloppen filosofen als Aristippos dan wel aan bij huizen van rijke mensen, en is het niet andersom? Omdat filosofen weten wat zij nodig hebben, en rijke mensen niet, antwoordt Aristippos.

Hij vroeg hoge tarieven voor zijn onderricht, volgens eigen zeggen om zijn leerlingen bij te brengen hun geld aan verstandige dingen te besteden. Bij het vernemen van zijn tarief riep een rijk man ooit tegen hem: ‘Wat? Voor dat geld kan ik een slaaf aanschaffen!’ Waarop Aristippos zei: ‘Doe dat, dan heb je er voor die prijs gelijk twee.’

Een slaaf is volgens Aristippos namelijk iemand die afhankelijk is van aangeleerde zaken als eerzucht en schaamte. Zonder het onderricht van Aristippos zou de zoon niets meer dan een slaaf blijven. Het doel van het leven is genot, en zaken als taboes en sociale conventies staan dat alleen maar in de weg. Alleen degene die bevrijd wordt van eerzucht en schaamte is werkelijk vrij. In die zin kan een slaaf zelfs meer vrij zijn dan zijn meester.

Aristippos verving schaamte en eerzucht door kalmte en waardigheid: die eigenschappen hielpen hem veel beter zijn genot na te streven. Naast die kalmte en waardigheid beschikte Aristippos ook over een gevat soort humor. Toen Dionysios aan Plato een boek gaf en aan Aristippos geld, werd daar besmuikt om gelachen. Men vond het namelijk vernederend voor Aristippos. ‘Waarom?’ vroeg Aristippos hierop. ‘De dictator geeft ons gewoon wat we tekort komen: ik heb geld nodig, en Plato boeken!’

Geld stinkt niet, volgens Aristippos. Maar buigen voor geld deed hij nooit. Toen een rijk man met een slechte reputatie indruk op hem probeerde te maken door hem rond te leiden door zijn prachtige huis, spoog hij de man onverwacht midden in het gezicht. Toen de man vroeg waaraan hij dit had verdiend, antwoordde Aristippos dat hij nu eenmaal een fluim kwijt moest, en welopgevoed als hij was, koos hij de plaats in het huis die het minst waard was.

Meer weten over Aristippos?

Bestel de softcover

Bestel de hardcover

Bestel het e-book

Fragment 3 (de Gnostici over Jahweh):

Het mispunt Jahweh

De christelijke gnostiek verschilt op nog een ander belangrijk punt met het traditionele christendom: het breekt scherp met het Oude Testament.

De wrekende God Jahweh die de hoofdrol speelt in het Oude Testament kan volgens de gnosis nooit dezelfde zijn als de liefdevolle God die Jezus aanduidt als zijn vader. Sterker nog, hij moet daar wel lijnrecht tegenover staan.

De God in het Oude Testament is in de gnostiek juist de heer van het kwaad, de Diabool of Demiurg, de grote veroorzaker van de dwaling waar mensen in leven. Dit wordt heel duidelijk in de gnostische interpretatie van het scheppingsverhaal.

In dit verhaal plant Jahweh in het paradijs de ‘boom van de kennis’ en verbiedt de mens ervan te eten. Wanneer de mens op aanraden van de slang toch van de boom eet, wordt Jahweh razend. Voor straf maakt hij de mens ‘stoffelijk’ en ‘sterfelijk’ – en geeft hij en passant de aanzet tot een flink staaltje vrouwenonderdrukking.

In deze lezing van dit verhaal speelt Jahweh dus een kwalijke rol. De slang wordt echter in ere hersteld. Hij zet de mensen aan tot het verwerven van kennis en wordt door de gnostici gezien als een symbool van vernieuwing, ook omdat hij vervelt.

Via zijn profeet Mozes maakt Jahweh het vervolgens nog bonter, en onderwerpt de mens aan een strenge wetgeving. Hij stelt een set regels en voorschriften op, die voor een groot deel neerkomen op de plicht tot verering van hemzelf, Jahweh. Daarmee veroordeelt hij de mens tot een hypocriet bestaan. Immers, door die regels wordt de mens soms gedwongen recht tegen zijn natuur in te leven. Daarin zal hij echter nooit helemaal kunnen slagen en de mens leidt daarom een leven van leugens én zelfloochening.

Door in Jahweh te geloven, breken mensen met de gnosis, de kennis van het goede in henzelf, de werkelijke, tijdloze God die in alle mensen aanwezig is.

Duidelijk toch? Die Jahweh is dus degene die de mens in het ongeluk heeft gestort, met zijn straffen en zijn wetten en zijn aanzetten tot zelfhaat. Dat is de duivel in hoogsteigen persoon. Wie hem volgt, leidt de mens weg van de kennis, en weg van het paradijs.

Het moge helder zijn dat de joden en de traditionele christenen hier heel anders over dachten, en nog steeds denken. Tijd dus om eens naar hun oorsprong en opkomst te kijken.

Daarvoor moeten we nogal een eind terug in de tijd, terug naar het oude Perzië, naar het ontstaan van het verschil tussen goed en kwaad.

Meer weten over de gnostici en hun rivalen?

Bestel de softcover

Bestel de hardcover

Bestel het e-book

Over de auteur:

Kees Alders werd geboren in 1972 te Heemstede, en woont sinds 1993 in Amsterdam. Hij behaalde zijn master in theoretische en sociale psychologie in 2000. Zijn columns over politiek en filosofie verschenen onder andere op Joop.nl, Sargasso.nl en Historiek.net. Het archief van deze stukken staat op klokwerk-tekst.nl. ‘De wereld vóór God’ is Alders’ debuut.